DNA (desoxyribonucleïnezuur) is het organische molecuul dat de informatie opslaat die de synthese van alle componenten van het organisme mogelijk maakt. Je zou het kunnen vergelijken met de handleiding voor de bouw van het organisme. Bij de mens bevindt het grootste deel van het DNA zich in de celkern. Met uitzondering van bijvoorbeeld rode bloedcellen, bevatten alle cellen in het lichaam hetzelfde DNA; de verschillen tussen celgroepen ontstaan door de specifieke delen van die informatie die zij coderen en uitlezen. Bovendien is DNA verantwoordelijk voor de erfelijke overdracht, oftewel de kenmerken en eigenschappen die individuen doorgeven aan hun nakomelingen.
Dit is wat het mogelijk maakt om op basis van cellen uit speeksel een onderzoek te doen naar het DNA van het gehele individu. Ook kan hierdoor, op basis van één persoon, informatie worden verkregen over de aanleg voor ziekten en eigenschappen bij andere bloedverwanten.
Nucleotiden zijn de moleculen waaruit DNA is opgebouwd. DNA is in feite een polymeer van nucleotiden: een keten die de beroemde dubbele helix vormt. Er zijn vier soorten nucleotiden in het DNA: adenine, cytosine, thymine en guanine. Afhankelijk van de volgorde van deze vier nucleotiden is de informatie die aan de cel wordt doorgegeven verschillend. Als het DNA de handleiding is, dan zijn de nucleotiden de letters waarin deze handleiding is geschreven.
Juist SNP's zijn veranderingen waarbij het ene nucleotide wordt vervangen door een andere, bijvoorbeeld het vervangen van een adenine door een thymine in de DNA-keten.
