Ze willen je genen en speeksel is niet genoeg: bloed

Bloed is een bindweefsel dat zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen door het lichaam vervoert.

Bijgewerkt op
Quieren tus genes y no vale con la saliva: la sangre

We hebben het altijd over vreemde concepten en ingewikkelde biologie, dus het is bijna een unicum dat we het nu eens niet over iets "nieuws" hebben. Bloed komt ons tenminste allemaal bekend voor.

Maar wat is bloed eigenlijk? Behalve de drijvende kracht achter de helft van alle horrorfilms. We zouden het kunnen definiëren als een vloeibaar bindweefsel dat door het circulatiesysteem stroomt met als taak voedingsstoffen en zuurstof door het lichaam te transporteren, en afvalstoffen op te halen om ze naar de gebieden voor afbraak en uitscheiding te brengen.

Een soort mix tussen een maaltijdbezorger en de vuilnisophaaldienst.

De belangrijkste bestanddelen zijn de bloedcellen en het bloedplasma (het eigenlijke vloeibare gedeelte). De bekendste bloedcellen zijn de erytrocyten, en terecht ook, want zij geven het bloed zijn kleur. De andere zijn de leukocyten of witte bloedcellen (tegenover de erytrocyten, die ook wel rode bloedcellen worden genoemd) en de bloedplaatjes (die uniek zijn voor zoogdieren).

De erytrocyten transporteren zuurstof en een deel van de kooldioxide, de leukocyten behoren tot het immuunsysteem en de bloedplaatjes nemen deel aan het stollingsproces om bloedingen te voorkomen. Een efficiënte taakverdeling.

De reden voor de rode kleur is de hemoglobine die de erytrocyten bevatten om hun werk te doen; deze bevat ijzer. Hemoglobine is helderrood wanneer het aan zuurstof is gebonden, en donkerrood wanneer dat niet zo is. Daarom heeft bloed in slagaders en aders een verschillende kleur.

Wist je trouwens dat rode bloedcellen de meest voorkomende cellen in het lichaam zijn? Een behoorlijke prestatie. Vooral als je bedenkt dat ze maar 120 dagen leven – ongeveer net zo lang als een cactus bij mij overleeft.

Bij sommige dieren is het bloed blauw, omdat ze geen ijzer maar koper gebruiken om zuurstof te binden en te transporteren. Hun transporteiwit staat bekend als hemocyanine.

Bloedplasma is voor het grootste deel water vol met mooie dingen. Die mooie dingen zijn glucose, mineralen en afvalstoffen (oké, die laatste zijn niet zo mooi). Het bevat ook eiwitten, hoewel in kleinere hoeveelheden dan in de rest van de weefsels, iets wat bloedzuigende dieren maar al te goed weten. Het meest voorkomende eiwit is albumine, dat wordt gebruikt om de osmotische druk van de vloeistof te reguleren.

Leuk weetje: bloedplasma is niet rood, omdat er geen erytrocyten in zitten. Het heeft een doorschijnende gele kleur; een rode tint zou duiden op besmetting. Als de stollingsfactoren uit het bloedplasma worden verwijderd, noemen we dat bloedserum. Het verschil tussen plasma en serum is dus de aan- of afwezigheid van stollingsfactoren, en daarmee het vermogen om te stollen.

Eigenschappen en wonderen van het bloed

Ongeveer 7% van ons gewicht bestaat uit bloed. Bij een volwassene is dat zo'n 4 tot 5 liter. Mocht je het je afvragen: ja, bloed weegt ongeveer evenveel als water; een liter bloed is iets meer dan een kilogram. Tel daar nog een beetje bij op voor de vaste bestanddelen die erin zitten.

En nu we het toch over de fysieke eigenschappen hebben: de pH-waarde is licht, heel licht, basisch. Het heeft een pH tussen 7,35 en 7,45. Dit evenwicht wordt streng gereguleerd door het lichaam, waarbij de ademhalingswegen en de urinewegen actief betrokken zijn. Onder andere omdat de kans op overlijden 10 op 10 is als de waarde onder de 7 zakt of de 8 bereikt.

Een waarde die ook onder strikte controle moet staan, is de bloeddruk. Bloeddruk is de kracht die het bloed uitoefent tegen de wanden van de slagaders (vandaar dat het soms ook arteriële druk wordt genoemd) wanneer het door het hart wordt rondgepompt. Wanneer het hart bloed door je slagaders spuit alsof het een waterpistool is, botst dat bloed tegen de vaatwanden terwijl het zijn weg vervolgt.

Door een jarenoude gewoonte wordt dit gemeten in millimeters kwik (mmHg). De normale bloeddruk bij een volwassene is 120/80 mmHg, afhankelijk van de fase van de hartcyclus. Dit zijn geen stabiele waarden en er kunnen grote variaties zijn tussen individuen. De bloeddruk is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder genetica. Wanneer de waarden te laag zijn, spreken we van hypotensie, en bij te hoge waarden van hypertensie.

Een andere bekende eigenschap van bloed zijn de bloedgroepen. De twee systemen die hiervoor gebruikt worden, zijn de ABO-bloedgroepen en de Rh-factor.

De bloedgroepen zijn A, B, AB en 0. Ze worden zo genoemd naar de erytrocyten die op hun oppervlak A-antigenen, B-antigenen, beide of geen van beide dragen. Afhankelijk van de antigenen op de erytrocyt, bevat het bloed antilichamen tegen het antigeen dat ontbreekt. Iemand met bloedgroep A heeft dus A-antigenen op de erytrocyten en antilichamen tegen B in het bloed.

Daarom worden mensen met AB "universele ontvangers" genoemd. Ze hebben geen antilichamen tegen welk antigeen dan ook en kunnen van iedereen bloed ontvangen. Mensen met bloedgroep 0, die geen antigenen hebben, zijn daarentegen de "universele donoren". Hun erytrocyten veroorzaken geen afstotingsreactie bij welk antilichaam dan ook, en hun bloed kan aan iedereen worden gegeven.

Daarnaast is er de Rh-factor. Dit is een eiwit op de erytrocyten dat het bloed indeelt in Rh+ of Rh-. Bij negatieve types is het eiwit niet afwezig, maar gemodificeerd, en ze hebben antilichamen tegen Rh+ (andersom gebeurt dit NIET). Dit staat los van de eerdere bloedgroepen. Iemand met B- heeft dus erytrocyten met het B-antigeen en het Rh-eiwit.

Een problematische vloeistof

Omdat het deel uitmaakt van het lichaam, houdt bloed ook van ongelukjes, ziekten, genetische problemen en het in gevaar brengen van je leven op willekeurige momenten.

Een volwassene kan 20% van zijn bloed verliezen voordat er symptomen optreden, en tot 40% voordat er een shock ontstaat. Het voordeel van het feit dat het grotendeels uit water bestaat, is dat het organisme het relatief snel kan aanvullen.

Bij bloedingen wordt bovendien de stollingscascade geactiveerd, met als doel stolsels te vormen en de bloeding te stoppen. Er zijn ziekten, zoals hemofilie A, waarbij dit proces niet optimaal verloopt door een tekort aan een element in de cascade. Hierdoor duren bloedingen langer en kan het leven van de persoon in gevaar komen.

Daarnaast zijn er ziekten die precies het tegenovergestelde zijn. Als het bloed onnodige stolsels bevat, of stolsels die zijn losgeraakt en door de bloedvaten circuleren, bestaat het risico dat ze in te kleine haarvaten terechtkomen en deze verstoppen. Ze blokkeren de circulatie waardoor het achterliggende weefsel niet het bloed krijgt dat het nodig heeft om te functioneren. Ischemieën worden hier vaak door veroorzaakt.

De trombofilieën zijn een groep aandoeningen waarbij mensen een aanleg hebben om sneller te stollen, of waarbij gevormde stolsels moeilijk oplossen. Er wordt aangenomen dat de helft van de mensen die een trombose hebben gehad, leed aan trombofilie.

De bloedstolling kan soms voor meer problemen zorgen dan het oplost.

Omdat bloed uit verschillende celpopulaties bestaat, is het een weefsel dat kanker kan krijgen. Dit noemen we hematologische kankers of bloedneoplasieën. Aangezien erytrocyten en bloedplaatjes geen DNA hebben, kunnen zij geen kanker ontwikkelen. Alleen de cellen van het immuunsysteem in het bloed kunnen kwaadaardig worden.

Afhankelijk van de aangetaste cel en de regio waar het begint, zijn er meer dan 100 soorten bloedkanker, die worden onderverdeeld in lymfomen (de meest voorkomende), leukemieën en myelomen.

Kortom: bloed is even fascinerend als dat het vies is. Laten we eerlijk zijn, het is best een beetje ranzig. Wij laten je echter uitsluitend het fascinerende gedeelte zien met de genetische analyse van tellmeGen.