Een vaccin is een voorbereiding waarvan de functie is om verworven immuniteit tegen een ziekte op te wekken door de productie van antistoffen te stimuleren. Vaccins zijn een essentiële bijdrage geweest aan de stijging van de levensverwachting en worden beschouwd als het belangrijkste preventieve hulpmiddel bij dieren en mensen.
Niet alle ziekten waarvan de aanleg wordt bestudeerd in een genetische analyse hebben vaccins. Toch hebben vaccins geholpen om het leven van miljoenen mensen te redden bij epidemieën of veelvoorkomende ziekten, zoals de griep. Deze preparaten bestaan uit een agens dat lijkt op het micro-organisme dat de ziekte veroorzaakt: het micro-organisme kan gedood of verzwakt zijn, of het kan gaan om producten die ervan zijn afgeleid. Op die manier herkent het lichaam, wanneer dit verzwakte deel van het micro-organisme wordt ingebracht, het als iets vreemds en maakt het antistoffen ertegen aan.
In het immuunsysteem bestaat er zogeheten immunologisch geheugen. Wanneer een ziekteverwekker voor het eerst in contact komt met het immuunsysteem, wordt de bijbehorende immuunrespons opgestart. Deze immuunrespons wordt door het immuunsysteem “onthouden”, zodat bij een latere blootstelling aan dezelfde ziekteverwekker het lichaam het antigeen snel en specifiek herkent en het uit het lichaam elimineert. Dit is de basis van vaccins.
Omdat er slechts een deel van de ziekteverwekker wordt toegediend, ontwikkelt de persoon de ziekte niet. Het lichaam maakt echter wél de nodige antistoffen aan om tegen de ziekteverwekker te reageren en bouwt zo immunologisch geheugen op.
Omdat de tweede immuunrespons sneller is dan de eerste, is vaccineren zo belangrijk. Als een gevaccineerde persoon toch de ziekte krijgt waarvoor hij of zij is gevaccineerd, zal het lichaam de ziekteverwekker op een efficiëntere manier bestrijden.
Vaccins redden jaarlijks miljoenen levens en worden beschouwd als een van de meest succesvolle en kosteneffectieve gezondheidsinterventies. De vaccins die de meeste menselijke levens hebben gered, zijn die tegen pokken, runderpest, polio, hepatitis B, gele koorts, kinkhoest, hondsdolheid, mazelen, tetanus en difterie.
Momenteel worden nog steeds veel mogelijke vaccins voor veelvoorkomende ziekten onderzocht. Daarnaast worden ook mogelijke vaccins onderzocht voor erfelijke aandoeningen, zoals de ziekte van Alzheimer of de ziekte van Parkinson. Het is belangrijk om de genetische aanleg voor bepaalde aandoeningen te kennen, omdat naarmate studies en onderzoek vorderen, het nodig kan worden om genetische tests bij de bevolking uit te voeren om te weten wie er tegen bepaalde ziekten gevaccineerd moet worden.
De werkzaamheid van vaccins staat buiten kijf: ze redden miljoenen mensen en bereiden het lichaam voor op ziekten die potentieel schadelijk kunnen zijn voor onze gezondheid. Er wordt verwacht dat de komende jaren nieuwe vaccins beschikbaar komen, die een aanzienlijke verbetering zullen betekenen voor de gezondheid van veel mensen.
